… e poi c’era… (Symphony n° 1)
1985
Orkest
Gecomponeerd in
1985
Voor
Orkest
Bezetting
3/3/3/3 – 4/3/3/1 – 4 Perc. – H – P – Snaren
Duur
15′
Eerste uitvoering
27 september 1985 in de Hoogpoort Hall in Groningen (NL). Filharmonisch Orkest van de NOS o.l.v. David PORCELIJN.
Opgedragen aan
John Califra
Prijzen
Dit werk werd bekroond met de derde Prijs op de Wedstrijd voor Jonge Europese Componisten in Amsterdam (NL) in 1985, en kreeg de vermelding Beste Werk in de categorie jonge componisten tijdens het Internationaal Rostrum van Componisten bij de UNESCO in Parijs (F) in 1986.
Uitgebrachte opname
Cyprès CYP 2609 (2cd)
UItgever
Donemus
Luc over …e poi c’era… (Symfonie nr. 1):
Dit werk werd gecomponeerd in januari 1985, op verzoek van mijn voormalige leraar André Laporte, en was oorspronkelijk bedoeld om in december 1985 in première te gaan tijdens een EBU-concert in Madrid. Die uitvoering werd uiteindelijk de tweede, aangezien het werk de derde prijs behaalde op de Europese Compositiewedstrijd voor Jonge Componisten in Amsterdam en zo zijn première kreeg op 27 september 1985 in het Cultureel Centrum Hoogpoort in Groningen, uitgevoerd door het NOS Filharmonisch Orkest onder leiding van David Porcelijn.
De Italiaanse titel betekent “… en toen was er …”. Die titel gaf ik aan het werk omdat het het eerste stuk was dat ik schreef na een jaar van absolute (creatieve) stilte. Daarvoor schreef ik in wat men een post-seriële stijl noemt – met uitzondering van één werk (Het Raadsel van de Sfinks, filmmuziek voor zes uitvoerders), waarin reeds elementen van boventoontechniek voorkwamen. Die boventonen zijn sinds dit werk een constante in mijn muzikale taal.
Na die stilte kwam …e poi c’era…
Het werk bestaat uit één enkel deel, verdeeld in vijf secties, waarvan alleen het vierde duidelijk afwijkt. De basisidee is een soort ruis – ooit door een Nederlandse recensent omschreven als "een orgel met lekkende pijpen" – gebaseerd op boventonen in de lage strijkers, waarvan de snaren bijna los zijn gespannen, in combinatie met slagwerk. Die ruis wordt voortdurend op de meest diverse manieren gekleurd.
Eigenlijk is het niet veel meer dan dat, maar dan uitgewerkt tot in het kleinste detail. Alles speelt zich af op de rand van het hoorbare.
Na ongeveer 10 minuten volgt een Tutti in fortissimo, gevolgd door een enorm crescendo. Het laatste deel is een soort spiegel van het begin. De partituur eindigt met een vraagteken: ik veronderstelde dat het antwoord zou volgen in Komm! Hebe dich…, mijn Tweede Symfonie.
Deze symfonie is opgedragen aan mijn Amerikaanse vriend en collega-componist John Califra.
Harry Halbreich over Symfonie nr. 1, …e poi c’era…:
Dit werk werd gecomponeerd in januari en februari 1985, op suggestie van André Laporte, de leraar van Brewaeys. De partituur is geschreven voor een klassiek symfonisch orkest van 87 uitvoerders (waaronder vier slagwerkers), en is opgedragen aan de Amerikaanse vriend en collega-componist John Califra.
De première was oorspronkelijk gepland voor december 1985 in Madrid, tijdens een concert van de ERU (Unie van Europese Radio's), maar dat werd de tweede uitvoering. Het werk won eerder dat jaar de derde prijs in Amsterdam en werd dus voor het eerst uitgevoerd op 27 september in de Oosterpoort in Groningen, tijdens een concert van het Nederlands Radio Symfonieorkest onder leiding van David Porcelijn.
De Italiaanse titel betekent: “… en toen gebeurde het …” – volgens de componist verwijzend naar het feit dat het werk ontstond na een jaar van creatieve stilte. Tot dan componeerde hij in een post-seriële stijl, maar in een filmmuziekwerk (Het Raadsel van de Sfinks) verkende hij voor het eerst boventoontechnieken. Die zouden voortaan een hoofdelement vormen in zijn muzikale taal.
In dit werk verschillen de gekozen spectra van latere stukken door hun complexe en dissonante karakter. Vaak lijkt het alsof de jonge componist elektro-akoestische klanken probeert te simuleren met puur instrumentale middelen. Ruisachtige frequenties komen vaak voor – door een Nederlandse criticus treffend omschreven als een orgel met lekkende pijpen.
Die ruis wordt voortgebracht door flageoletten op volledig verslapte lage snaren, aangevuld met ademklanken van de blazers. Het werk is opgedeeld in vijf secties, die zonder onderbreking worden gespeeld:
Deel 1 (maten 1–49)
Opent in een sfeer van zuivere ruis, met tegenpunten van stijgende en dalende glissandi in slagwerk met vellen en tremolo's in de strijkers – een hoofdkenmerk van het stuk. Daarop volgen droge en gewelddadige tussenkomsten van het slagwerk en complexen van boventonen in flageoletten van de strijkers. Halverwege klinkt een hevig accent – een typisch gebaar in Brewaeys' werk – gevolgd door zeven seconden stilte.
Deel 2 (maten 50–121)
Begint met een nieuwe dreun, waarna nog meerdere volgen. De elementen uit het eerste deel worden hier ontwikkeld in dialogen tussen verschillende instrumentgroepen. De glissandi blijven overheersend, maar we horen ook multifonische klanken in de klarinetten en een kort fragment waarin de drie trombones met wa-wa-dempers een canon vormen van vallende glissandi. Vanaf maat 103 bouwen twee harmonische klankcomplexen zich op – eerst in de blazers, dan in de strijkers (met flageoletten en sul ponticello). Twee harde slagen sluiten dit deel af.
Deel 3 (maten 122–154)
Een korter, kamermuzikaal deel, waarin elementen uit deel 1 terugkeren in dunnere bezetting met homogene groepen. Opvallend zijn de vreemde glissandi van gongs die in water worden gedompeld (water gongs).
Deel 4 (maten 155–196)
Op het exacte gulden snede-punt barst een triple fortissimo los: een scherp contrast met de voorgaande delen. De houtblazers produceren hun scherpste klanken (fluitgefluit, overblazen in de hobo’s, klarinettisten bijten op hun riet). De slagen worden steeds sneller en dichter, en vormen zo ritmische pulsen die eerdere harmoniecomplexen articuleren. Deze intense climax stort abrupt in.
Deel 5 (maten 197–249)
Een vrije recapitulatie van elementen uit delen 1 en 3. In maten 214–215 klinkt een heel zachte verwijzing naar het Dies Irae-thema, als geplukte tonen binnenin de piano. Tegen het einde bereikt de muziek een unisono A in de blazers, waaruit een complex akkoord ontstaat (in feite een omkering van b-klein met vele toevoegingen), dat zwelt naar een kort triple fortissimo, en dan onmiddellijk afbreekt.
Tijdens de resonantie van dit akkoord houdt de dirigent zijn arm nog drie seconden omhoog. De laatste maat bevat geen muziek, enkel een gigantisch vraagteken.
Volgens de componist wordt het antwoord daarop gegeven in de Tweede Symfonie.
© Harry Halbreich, september 1995 – uit het cd-boekje Cyprès CYP 2609
Luister naar een korte synthese van deze symfonie door Luc zelf: